202107338/1/V1.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 oktober 2021 in zaak nr. 21/1661 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2021 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 878,00.
Bij uitspraak van 28 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.S. Sewman, advocaat in Lemmer, hoger beroep ingesteld.
Het COa en appellant hebben nadere stukken ingediend.
Het COa heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
De Afdeling heeft deze zaak, gelijktijdig met zaken nrs. 202203259/1/V1, 202300124/1/V1 en 202302916/1/V1, op een zitting behandeld op 28 maart 2025. Het COa, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het COa biedt opvangvoorzieningen voor asielzoekers en verlangt een eigen bijdrage in de kosten daarvan als zij vermogen en/of inkomen hebben. Zij kunnen bijvoorbeeld vermogen hebben als zij een dwangsom van de IND hebben ontvangen, omdat de asielprocedure te lang heeft geduurd.
1.1. Het COa is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet COa belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Met de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) en de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (hierna: de Reba 2008) heeft de regelgever invulling gegeven aan die bepaling. Uit artikel 20 van de Rva 2005 volgt dat, als een asielzoeker beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens die volgt uit artikel 34 van de Participatiewet, de asielzoeker een vergoeding in de kosten van de opvang in de vorm van een eigen bijdrage aan het COa is verschuldigd en dat het COa deze vergoeding ook naderhand kan terugvorderen, als blijkt dat de asielzoeker tijdens het verblijf in de opvang over vermogen beschikte. In de artikelen 2 en 3 van de Reba 2008 is bepaald wat de economische waarde is van de feitelijk geboden verstrekkingen die het COa gebruikt voor de berekening van de eigen bijdrage. In artikel 7 van de Reba 2008 is bepaald wat wel en niet onder vermogen wordt verstaan. Zo is in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van de Reba 2008 bepaald dat vergoedingen voor immateriële schade niet als vermogen in aanmerking worden genomen.
1.2. Het COa heeft de werkwijze hoe het een eigen bijdrage berekent en vaststelt verder uitgewerkt in een document ‘Beleidskader Werk en Inkomen’ en een document ‘Werkinstructie uitvoeren Reba bij vermogen’. Deze documenten heeft het COa bij de schriftelijke uiteenzetting overgelegd aan de Afdeling.
1.3. Deze uitspraak gaat over de vraag of het COa op grond van de Rva 2005 en de Reba 2008 voor vreemdelingen een eigen bijdrage mag vaststellen in de kosten van opvang wegens het hebben van vermogen boven de vermogensgrens, als deze vreemdelingen alleen over dit vermogen beschikken, omdat de IND aan hen een dwangsom heeft betaald. Ook speelt de vraag of het COa daarbij gebruik mag maken van ontvangen informatie van de IND over aan vreemdelingen uitbetaalde dwangsommen. De Afdeling is van oordeel dat het COa gebruik mag maken van de ontvangen informatie en een eigen bijdrage in de kosten van de opvang mag vaststellen als vreemdelingen vermogen boven de vermogensgrens hebben. De Afdeling legt dat in deze uitspraak uit.
1.4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het besluit
2. Het COa krijgt op basis van het ‘Convenant ten behoeve van het uitvoeren van art. 20 Rva 2005 en de Reba 2008 door het COa’ (hierna: het Convenant) van de IND informatie over dwangsommen die de IND heeft uitbetaald aan vreemdelingen. Aan de hand van deze informatie onderzoekt het COa of een vreemdeling vermogen boven de vermogensgrens heeft. Als dat zo is, maakt het COa een berekening en stelt het daarna bij besluit een bedrag vast dat volgens het COa betaald moet worden als eigen bijdrage in de kosten van de opvang. Het COa past bij deze berekening een zogenoemde interingsnorm toe van 1,5 die doorgaans ook bij bijstandsgerechtigden wordt toegepast. Volgens het COa is de gedachte daarachter dat een vreemdeling zuinig met het verkregen eigen vermogen moet omgaan en niet snel weer op verstrekkingen moet zijn aangewezen.
2.1. Bij het besluit van 4 maart 2021 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 878,00, omdat hij volgens het COa een vermogen groter dan de vermogensgrens heeft nadat de IND € 16.442,00 aan dwangsommen aan hem heeft uitbetaald.
Bij het besluit heeft het COa een berekening meegestuurd. Uit die berekening volgt dat op 8 oktober 2021 het vermogen van appellant is vastgesteld op € 16.442,00 en het vrijgesteld vermogen op € 12.450,00, zodat een bedrag van € 3.992,00 overblijft. De kosten van de verstrekkingen per maand bedragen in totaal € 1.630,85 per maand, waarvan € 1.197,85 aan weekgelden en € 433,00 aan woonlasten. Het bedrag van € 3.992,00 heeft het COa gedeeld door € 2.446,28 (het totaalbedrag van de verstrekkingen vermenigvuldigd met de factor 1,5 van de interingsnorm). De uitkomst daarvan geeft het aantal maanden waarvoor appellant met inachtneming van de interingsnorm de kosten van de opvang kan dragen, totdat zijn eigen vermogen is teruggelopen tot het vrijgestelde bedrag van € 12.450,00, in dit geval afgerond 1,63 maanden. Dat aantal maanden heeft het COa vervolgens vermenigvuldigd met het maandelijkse totaalbedrag van de verstrekkingen van € 1.630,85. De uitkomst daarvan is € 2.661,33, het bedrag dat appellant volgens het COa aan eigen bijdrage in de kosten van de opvang moet betalen. Dat bedrag heeft het COa, hoewel het besluit een ander bedrag vermeldt, in rekening gebracht en dat is ook het bedrag dat appellant heeft betaald.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de IND gegevens over verbeurde dwangsommen mocht delen met het COa, ter uitvoering van de wettelijke taak van het COa, beschreven in artikel 3 van de Wet COa en de Rva 2005 en de Reba 2008. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant heeft nagelaten om zich te houden aan de plicht die volgt uit het op 23 september 2019 gevoerde rechten- en plichtengesprek om de ontvangst van de uitgekeerde dwangsom te melden aan het COa.
Hoger beroep
Bevoegdheid van de rechtbank
4. Appellant betoogt in zijn derde grief dat de rechtbank zich ten onrechte niet onbevoegd heeft verklaard om van het beroep kennis te nemen. Hij betoogt dat artikel 5 van de Wet COa zich verzet tegen de rechtstreekse gevoerde beroepsprocedure. Volgens hem heeft het COa in het besluit een onjuiste rechtsmiddelenclausule opgenomen en had de rechtbank het beroepschrift als bezwaarschrift moeten doorsturen naar het COa. Tijdens de zitting heeft het COa zich op het standpunt gesteld dat het vaststellen van een eigen bijdrage te maken heeft met het onthouden of beëindigen van verstrekkingen en dat daarom rechtstreeks beroep openstaat.
4.1. Uit artikel 5 van de Wet COa volgt dat de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing zijn op besluiten in het kader van het onthouden of beëindigen van verstrekkingen bij of krachtens de wet COa. Uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met bijlage 1 ‘Regeling rechtstreeks beroep’, volgt dat tegen besluiten genomen op grond van afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, rechtstreeks beroep openstaat.
Het COa heeft op de zitting toegelicht dat het de verstrekkingen niet beëindigt wanneer iemand vermogen heeft boven de vermogensgrens, maar in plaats daarvan een eigen bijdrage in de kosten van de opvang verlangt. Het COa heeft de verstrekkingen van appellant dus niet beëindigd, nadat hij vermogen boven de vermogensgrens had verkregen. De Afdeling is daarom van oordeel dat het vaststellen van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang niet gelijkstaat aan het, al dan niet gedeeltelijk, onthouden of beëindigen van de verstrekkingen. Dat betekent dat tegen een besluit over de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage in de kosten van de opvang bezwaar openstaat. De rechtbank had daarom het door appellant ingediende beroepschrift niet-ontvankelijk moeten verklaren, dat moeten aanmerken als een bezwaarschrift en op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb, ter behandeling moeten doorsturen naar het COa. Dat betekent dat appellant het betoog terecht voordraagt.
4.2. Dat de procedurele gang van zaken niet in lijn is met artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, leidt in dit geval niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:302, onder 3.2, heeft overwogen, kan alleen de indiener van het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Dat heeft appellant weliswaar niet gedaan, maar partijen zijn alsnog akkoord gegaan met het overslaan van de bezwaarprocedure. Dat in aanmerking genomen, en gelet op het belang dat appellant heeft bij het verkrijgen van uitsluitsel over de uitkomst van zijn procedure, welk belang niet is gediend bij een herstart in de bezwaarfase, zal de Afdeling zich verder inhoudelijk buigen over het hogerberoepschrift. De grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens
5. Appellant richt zijn eerste grief tegen het oordeel van de rechtbank dat de IND gegevens over verbeurde dwangsommen mocht delen met het COa, ter uitvoering van diens wettelijke taak beschreven in artikel 3 van de Wet COa, de Rva 2005 en de Reba 2008. Hij betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de IND het besluit van 13 augustus 2020, waarin de minister zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk heeft verklaard en eveneens heeft vermeld dat hij een dwangsom van € 16.442,00 ontvangt, niet naar het COa had mogen doorsturen. Volgens hem biedt artikel 107 van de Vw 2000 geen grondslag voor een bevoegdheid van de IND om informatie over verbeurde dwangsommen te delen met het COa. De rechtbank had volgens hem tot de conclusie moeten komen dat, omdat een wettelijke grondslag ontbreekt, het delen van gegevens over de verbeurde dwangsom in strijd is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG).
5.1. De Afdeling gaat ervan uit dat het COa het besluit van 4 maart 2021 heeft genomen, nadat het op 18 januari 2021 in het kader van uitvoering van het Convenant van de IND de melding heeft ontvangen over de aan appellant betaalde dwangsom en die melding daartoe aanleiding gaf. Op de zitting heeft het COa toegelicht dat het alleen een bepaald aantal essentiële gegevens ontvangt. Ook heeft het COa tijdens de zitting gewezen op het Convenant dat tussen het COa en de IND is gesloten over hoe partijen omgaan met uitwisseling van gegevens over verbeurde dwangsommen en wat er wel en niet wordt gedeeld. Daaruit volgt dat de IND alleen het V-nummer, de hoogte van de dwangsom, de datum van uitbetaling en het zaaknummer van de zaak van de desbetreffende vreemdeling deelt met het COa. Het betoog van appellant dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de IND het besluit van 13 augustus 2020 niet naar het COa had mogen doorsturen, baat hem daarom niet.
5.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen verbiedt de AVG niet de verwerking van persoonsgegevens, voor zover dit noodzakelijk is ter uitvoering van een wettelijke taak. Dat geldt ook voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de invulling van een taak van algemeen belang. Gegevens over verbeurde dwangsommen zijn persoonsgegevens in de zin van artikel 4, onder 1, van de AVG, omdat het V-nummer en het zaaknummer te herleiden zijn naar een vreemdeling. Het gebruik van deze informatie is een verwerking in de zin van artikel 4, onder 2, van de AVG.
Het COa betoogt terecht dat artikel 107 van de Vw 2000 een deugdelijke wettelijke basis is voor de verwerking van de gegevens over verbeurde dwangsommen. De bepalingen in artikel 107 van de Vw 2000 zijn voldoende duidelijk en nauwkeuring en vormen daarom een grondslag voor de verwerking van het V-nummer, de hoogte van de dwangsom, de datum van uitbetaling en het zaaknummer van de zaak van de desbetreffende vreemdeling. De Afdeling legt dat uit.
5.2.1. De Afdeling is van oordeel dat de gegevens over verbeurde dwangsommen vallen onder de vreemdelingenadministratie bedoeld in artikel 107 van de Vw 2000. Uit artikel 107, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 volgt namelijk dat de vreemdelingenadministratie ook gegevens bevat die van belang zijn voor de uitvoering van deze wet. De IND houdt gegevens bij wanneer een besluit is genomen en of wegens te late besluitvorming een dwangsom is verbeurd. Besluiten over verbeurde dwangsommen vloeien voort uit te laat genomen besluiten die de minister neemt in het kader van de Vw 2000. Het COa heeft voor de uitvoering van zijn taak die voortvloeit uit artikel 3 van de Wet COa, om asielzoekers materiële en immateriële opvang te bieden en, als zij, bijvoorbeeld omdat zij een dwangsom hebben ontvangen, beschikken over een vermogen groter dan de vermogensgrens, een eigen bijdrage in de kosten van de opvang vast te stellen, gegevens nodig over dat vermogen. De IND beschikt over die gegevens. De IND beschikt daarmee over gegevens in de zin van artikel 107, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, die naar het oordeel van de Afdeling noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wet COa, en de daarop gebaseerde Rva 2005 en Reba 2008, als bedoeld in artikel 107, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, en die het COa nodig heeft voor de uitvoering van zijn taak. Het COa ontvangt deze gegevens van de IND zodra de IND een dwangsom heeft uitbetaald. De IND heeft de informatie over verbeurde dwangsommen daarom voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden verzameld en op een met die doeleinden verenigbare wijze verwerkt, in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de AVG.
5.2.2. Het gebruik van deze informatie door het COa bij de vaststelling van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang, is noodzakelijk voor de vervulling van de aan het COa opgedragen taak. Het is namelijk de taak van het COa om asielzoekers materiële en immateriële opvang te bieden en een eigen bijdrage vast te stellen als zij beschikken over vermogen boven de vermogensgrens. Uit de toelichting op artikel 20 van de Rva 2005 (Stb. 2005, 24, p. 16) volgt namelijk dat de druk die de kosten van opvang legt op de collectieve middelen rechtvaardigt dat alleen opvang wordt geboden als en voor zover betrokkenen niet in het eigen bestaan kunnen voorzien. Bovendien is het gebruik van het COa van de door de IND verstrekte informatie over verbeurde dwangsommen bij de vaststelling van de eigen bijdrage evenredig in het licht van dat doel. Het is de Afdeling niet gebleken dat deze informatie op een andere of verderstrekkende manier is verwerkt. Daarnaast waarborgt het Convenant dat op zorgvuldige wijze met die gegevens wordt omgegaan. De verwerking is daarom rechtmatig in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, en derde lid, van de AVG.
5.3. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de IND gegevens over verbeurde dwangsommen mocht delen met het COa en dat het betoog van appellant dat de verwerking van de gegevens in strijd is met de AVG, niet slaagt.
De grief slaagt niet.
Uit eigen beweging melden ontvangen dwangsom
6. Appellant richt het eerste gedeelte van zijn tweede grief tegen het oordeel van de rechtbank dat hij heeft nagelaten om zich te houden aan de plicht die volgt uit het op 23 september 2019 gevoerde rechten- en plichtengesprek om de ontvangst van de uitgekeerde dwangsom te melden aan het COa. Hij betoogt dat hij nooit de kans heeft gehad om uit eigen beweging het COa op de hoogte te stellen van de ontvangen dwangsom, omdat de IND het besluit van 13 augustus 2020 naar hem heeft gestuurd en toen gelijktijdig heeft doorgestuurd naar het COa. De rechtbank heeft daarom volgens hem ten onrechte overwogen dat het besluit van het COa niet onrechtmatig is.
6.1. Het betoog van appellant slaagt niet. Zoals de Afdeling onder 5.1 heeft overwogen gaat zij ervan uit dat het COa naar aanleiding van de melding van de IND op 18 januari 2021, het besluit van 4 maart 2021 heeft genomen. Hoewel uit de in het rechtbankdossier aanwezige brief van de IND van 24 maart 2021 is op te maken dat via het systeem van de IND automatisch melding wordt gemaakt bij onder meer het COa van het nemen van een besluit in een asielzaak, volgt daaruit niet dat het COa naar aanleiding van die melding al wist van de aan appellant uitbetaalde dwangsom. Wat daar verder ook van zij, appellant heeft niet gesteld dat hij in de periode van 13 augustus 2020, het moment waarop het COa volgens hem bekend is geworden met de verbeurde dwangsom, tot 4 maart 2021, de datum van het besluit, uit eigen beweging bij het COa heeft gemeld dat hij een dwangsom van de IND heeft ontvangen, hoewel hij daartoe wel in de gelegenheid was. Het betoog van appellant dat hij nooit de kans heeft gehad om bij het COa uit eigen beweging melding te maken van de ontvangen dwangsom, slaagt daarom niet. Dit gedeelte van de grief slaagt dus niet.
Berekening vermogen
7. Appellant richt zich in het tweede gedeelte van zijn tweede grief tegen het oordeel van de rechtbank dat op de zitting is toegelicht dat hij geen schulden heeft. Hij ontkent dat dat op de zitting is toegelicht. Ook klaagt hij dat hij voorafgaand aan het besluit niet is gehoord over zijn financiële situatie.
7.1. Uit het proces-verbaal van het verhandelde op de zitting in beroep kan de Afdeling niet opmaken dat aan de orde is geweest of appellant wel of geen schulden heeft. Maar omdat appellant noch tijdens de beroepsprocedure noch in hoger beroep heeft toegelicht dat hij schulden heeft die van zijn vermogen afgetrokken hadden moeten worden, leidt deze klacht hoe dan ook niet tot het slagen van de grief.
Ook de klacht dat appellant niet voorafgaand is gehoord over zijn financiële situatie slaagt niet. Het COa heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat het op 4 maart 2021 een gesprek heeft gevoerd met appellant over de te betalen eigen bijdrage. Appellant heeft dit standpunt niet betwist. Ook dit deel van de grief slaagt niet.
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het COa moet de proceskosten vergoeden, omdat appellant zijn klacht in de derde grief terecht heeft voorgedragen en het COa een onjuiste rechtsmiddelenclausule in het besluit heeft opgenomen. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft het COa dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het Centraal Orgaan opvang asielzoekers tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
574-1078
BIJLAGE
Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679
Artikel 4
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. "persoonsgegevens": alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene"); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
2. "verwerking": een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
[…]
Artikel 5
1. Persoonsgegevens moeten:
a. worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie");
b. voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („doelbinding");
[…]
Artikel 6
1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
[…]
e. de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
[…]
3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c en e, bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:
a. Unierecht; of
b. lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e, bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. [..]
Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.
[…]
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 107
1. Er is een vreemdelingenadministratie, die wordt beheerd door Onze Minister. De vreemdelingenadministratie bevat:
[…]
c) andere gegevens, waaronder persoonsgegevens, die van belang zijn voor de uitvoering van deze wet en de Rijkswet op het Nederlanderschap;
[…]
2. De vreemdelingenadministratie heeft tot doel de verwerking van:
[…]
b) de in het eerste lid, onder b en c, bedoelde gegevens, voor zover dat noodzakelijk is voor:
[…]
2) de uitvoering van deze wet, de Rijkswet op het Nederlanderschap en andere, bij regeling van Onze Minister aan te wijzen wettelijke voorschriften;
4. Uit de vreemdelingenadministratie worden, met uitzondering van gezichtsopnames en de vingerafdrukken, bedoeld in het eerste lid, aan bestuursorganen die gegevens en inlichtingen verstrekt, die zij behoeven voor de uitvoering van hun taak, waaronder in ieder geval gegevens omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling en, indien het een gecombineerde vergunning betreft, de gegevens op basis waarvan kan worden beoordeeld of is voldaan aan de Wet arbeid vreemdelingen.
Voorschrift Vreemdelingen 2000
Artikel 7.1e
Als wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 107, tweede lid, onder b, van de wet, zijn aangewezen:
[…]
de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
[…]
Wet Centraal Orgaan Opvang asielzoekers
Artikel 3
1. Het COA is belast met:
a) de materiële en immateriële opvang van asielzoekers;
[…]
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid.
[…]
Artikel 5
1. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet.
[…]
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Artikel 20
1. De asielzoeker is verplicht onverwijld uit eigen beweging, of op verzoek van het COA, mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald. Indien deze feiten of omstandigheden betrekking hebben op een kind dan wordt de mededeling gedaan door de asielzoeker te wiens laste het kind komt en in het geval dit meer dan één asielzoeker betreft, door één van die asielzoekers.
2. Indien een asielzoeker of vergunninghouder die verblijft in een opvangvoorziening, daaronder begrepen de handhavings- en toezichtlocatie, dan wel de vergunninghouder bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens, bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet of inkomsten heeft, anders dan kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of deze regeling, is die asielzoeker of vergunninghouder aan het COA een vergoeding verschuldigd in de kosten van zijn opvang alsmede van de opvang van zijn gezinsleden. De tegemoetkoming bedraagt per maand ten hoogste de economische waarde van de aan een asielzoeker of vergunninghouder feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat de vergoeding niet meer bedraagt dan het bedrag van het in de eerste volzin bedoelde vermogen of de in de eerste volzin bedoelde inkomsten.
3. Indien na zijn verblijf in een opvangvoorziening of de handhavings- en toezichtlocatie blijkt dat een vreemdeling tijdens dit verblijf beschikte over een vermogen of inkomsten, bedoeld in het tweede lid, kan het COA de kosten van de opvang van deze vreemdeling alsmede de kosten van opvang van zijn gezinsleden van hem terugvorderen. De terug te vorderen kosten per maand zijn niet hoger dan de economische waarde van de aan de vreemdeling feitelijk geboden verstrekkingen, vermeerderd met de economische waarde van de aan ieder gezinslid feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag niet meer bedraagt dan het bedrag van het in het tweede lid bedoelde vermogen of de in het tweede lid bedoelde inkomsten.
Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008
Artikel 2
Tot de aan de asielzoeker feitelijk geboden verstrekkingen, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005, worden gerekend:
a) de aan of ten behoeve van de asielzoeker en zijn gezinsleden verstrekte financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven en de in natura verstrekte maaltijden;
b) het onderdak in een opvangcentrum of de financiële toelage ten behoeve van de huisvesting buiten een opvangcentrum.
Artikel 3
De economische waarde per maand, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Rva 2005, bedraagt:
a) van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2, onderdeel a: de toelage bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Rva 2005, die aan of ten behoeve van de asielzoeker of vergunninghouder wordt of zou worden verstrekt voor het volledig zelf verzorgen van maaltijden, vermenigvuldigd met de factor 4,33;
b) van de verstrekkingen bedoeld in artikel 2, onderdeel b: € 50,00 voor een alleenstaande asielzoeker of vergunninghouder of eerste gezinslid, € 25,00, voor het tweede gezinslid en € 12,50 per volgend gezinslid, vermenigvuldigd met de factor 4,33, tot een maximum van € 433,00.
Artikel 7
[…]
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
[…]
e) vergoedingen voor immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit een oogpunt van het verlenen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 9 van de Rva 2005, verantwoord is.