ECLI:NL:RVS:2025:6163
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke invordering dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan
Appellant is eigenaar van een pand in Lisse waarin een hotel is gevestigd. Het college van burgemeester en wethouders legde op 16 september 2020 een last onder dwangsom op omdat het pand niet als hotel werd gebruikt, maar voor de huisvesting van arbeidsmigranten, wat in strijd is met het bestemmingsplan. Appellant werd gelast de overtreding vóór 15 oktober 2020 te beëindigen, met een dwangsom van €150.000 bij niet-naleving.
Na bezwaar en voorlopige voorzieningen werd de dwangsom verlaagd naar €50.000. Op 7 december 2020 constateerden toezichthouders dat de overtreding voortduurde. Het college vorderde daarom op 26 juli 2021 de dwangsom van €50.000 in, wat in bezwaar en bij de rechtbank werd bevestigd.
Appellant stelde in hoger beroep dat de begunstigingstermijn onzorgvuldig was gehandhaafd en dat de overtreding al op 10 december 2020 was beëindigd. Dit werd door de Afdeling bestuursrechtspraak verworpen, evenals het betoog dat invordering onevenredig was vanwege inspanningen tot herhuisvesting. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat geen bijzondere omstandigheden tot afzien van invordering leidden.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de invordering van de dwangsom van €50.000 wegens overtreding van het bestemmingsplan.