ECLI:NL:RVS:2025:157
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak bewaring vreemdeling wegens onvoldoende motivering handboeien en belangenafweging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling op 3 mei 2024 in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval de opheffing van de bewaring, met toekenning van schadevergoeding. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het aanvullend proces-verbaal van 21 mei 2024 buiten beschouwing liet, maar dat de feiten daarin te vaag waren om het aanleggen van handboeien op 3 mei 2024 te rechtvaardigen. De rechtbank had onvoldoende gemotiveerd waarom handboeien nodig waren, maar dit leidde niet tot het oordeel dat handboeien standaard werden aangelegd.
De minister had een zwaarwegend belang bij de bewaring vanwege het geplande vertrek van de vreemdeling en het risico op onttrekking aan toezicht. De belangenafweging viel daarom in het voordeel van de minister uit. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.