ECLI:NL:RVS:2025:1489
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf onder jongvolwassenenbeleid
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor de moeder, broer en zus van een asielgerechtigde vernietigde. De rechtbank oordeelde dat de minister een onjuiste belangenafweging had gemaakt en onvoldoende had gemotiveerd waarom het economisch belang van Nederland zwaarder weegt dan het familie- en gezinsleven.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de minister terecht de intensiteit van het gezinsleven heeft betrokken bij de belangenafweging, waarbij rekening is gehouden met het feit dat de referent zich zelfstandig heeft weten te handhaven in Nederland. Ook is het economisch belang van de Nederlandse Staat adequaat meegewogen, waarbij de persoonlijke omstandigheden van de betrokkenen voldoende zijn onderzocht.
Verder oordeelt de Afdeling dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen geen doorslaggevend gewicht toekomt, mede omdat het contact via moderne communicatiemiddelen wordt onderhouden. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 29 april 2022, verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 29 april 2022 worden vernietigd en het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.