ECLI:NL:RVS:2024:5202
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De vreemdeling, met Marokkaanse nationaliteit, heeft namens zichzelf en haar drie jongste minderjarige kinderen een asielaanvraag ingediend. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de minister opnieuw moest motiveren of overdracht onevenredig hard zou zijn.
De minister stelde in hoger beroep dat de vader en de drie oudste kinderen een subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland hebben, waardoor overdracht niet leidt tot gezinsfragmentatie. De Afdeling oordeelde dat de minister dit terecht heeft gemotiveerd en dat de overdrachtstermijn niet is verstreken vanwege verlenging en opschorting.
De vreemdeling voerde aan dat er ernstige tekortkomingen zijn in Duitsland, zoals beperkte rechtsbijstand, opvangproblemen en toename van racisme. De Afdeling stelde dat deze tekortkomingen niet aannemelijk zijn gemaakt en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft gelden.
Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waardoor de overdracht aan Duitsland rechtmatig is.