ECLI:NL:RVS:2024:4227
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 17 december 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 januari 2023 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure werd onder meer gedebatteerd over de uiterste overdrachtsdatum van de vreemdeling in het kader van de Dublinverordening en de gevolgen van toegewezen voorlopige voorzieningen door voorzieningenrechters.
De Afdeling oordeelde dat de voorlopige voorzieningen de overdrachtstermijn opschorten en dat de uiterste overdrachtsdatum zes maanden na de uitspraak op het hoger beroep verstrijkt. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe rechtsvragen die beantwoording behoefden voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.