De rechtbank Den Haag heeft op 19 augustus 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin minderjarige eisers beroep instelden tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvraag buiten behandeling te stellen. De aanvraag was ingediend op 10 november 2022 en het besluit tot buitenbehandelingstelling werd genomen op 5 maart 2024. De minister baseerde het besluit op artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het vermeende vertrek van eisers met onbekende bestemming zonder contact op te nemen met bevoegde autoriteiten.
De rechtbank stelde vast dat de minister in het verweerschrift nieuwe gronden aanvoerde (artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a en b), maar deze onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank oordeelde dat de minister geen rekening had gehouden met de minderjarigheid van eisers en dat er geen bewijs was dat eisers of hun wettelijke vertegenwoordigers waren uitgenodigd voor een aanmeldgehoor of dat zij tweemaal waren uitgenodigd. Ook ontbrak een voornemen tot buitenbehandelingstelling op die gronden en was niet aangetoond dat eisers toerekenbaar hadden nagelaten relevante informatie te verstrekken.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en droeg de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eisers van €1.750,-. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en voldoende gemotiveerde besluitvorming, zeker gezien de minderjarigheid van de betrokkenen.