ECLI:NL:RVS:2024:3411
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overkomst naar Nederland wegens niet voldoen aan speciale voorziening EUPOL
Appellanten, bestaande uit een vrouw met Afghaanse nationaliteit die van 2007 tot 2016 als schoonmaakster werkte bij het hoofdkwartier van de European Union Police Mission (EUPOL) in Kabul en haar twee meerderjarige dochters, verzochten de minister van Buitenlandse Zaken om hun overkomst naar Nederland te faciliteren. De minister wees dit verzoek af omdat appellanten niet vielen onder de speciale voorziening die geldt voor medewerkers van bepaalde projecten en hun kerngezinsleden.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellante structureel substantiële werkzaamheden had verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL in een voor het publiek zichtbare functie. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat schoonmaakwerkzaamheden voor het gehele hoofdkwartier niet gelijkstaan aan werkzaamheden voor een specifieke Nederlandse functionaris en dat de functie niet voor het publiek zichtbaar was in de zin van de Kamerbrief.
Appellante voerde verder aan dat er sprake was van bijzondere omstandigheden en dat de minister haar had moeten horen in bezwaar. Deze argumenten werden verworpen omdat de cumulatieve criteria van de speciale voorziening niet waren vervuld, er geen wettelijke verplichting was tot bredere evacuatie, en de minister terecht afzag van een hoorzitting gezien de inhoudelijke gronden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van het verzoek tot overkomst wordt bevestigd.