ECLI:NL:RVS:2024:3299
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek overkomst naar Nederland op grond van speciale voorziening niet onredelijk
De appellant, een Afghaan die van 2004 tot 2009 voor de Nederlandse krijgsmacht werkte, verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om zijn overkomst naar Nederland te faciliteren. De minister wees dit verzoek af omdat de appellant niet viel onder de speciale voorziening die twee groepen vreemdelingen omvat, waaronder personen die vóór 11 oktober 2021 een melding of hulpverzoek hadden gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De minister baseerde zijn afwijzing op het feit dat appellant niet was genomineerd door een niet-gouvernementele organisatie en niet voorkwam in de defensiedatabase met meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken. Appellant voerde aan dat deze afbakening willekeurig was en dat hij door omstandigheden zoals vlucht voor de Taliban en gebrek aan kennis en middelen niet eerder een verzoek kon indienen. De Raad van State oordeelt dat de minister binnen zijn beleidsruimte een redelijke afbakening heeft gemaakt en dat de omstandigheden van appellant niet afwijken van die van andere evacués.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en overmacht faalt, omdat de gestelde bijzondere omstandigheden onvoldoende zijn om van het beleid af te wijken. Het argument dat het gevaar in Afghanistan een bijzondere omstandigheid vormt, wordt eveneens verworpen. De Raad van State concludeert dat de afwijzing niet onredelijk is en bevestigt het vonnis van de rechtbank, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om overkomst naar Nederland wordt bevestigd.