ECLI:NL:RVS:2024:3083
Raad van State
- Hoger beroep
- W. den Ouden
- J.E.M. Polak
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op gesubsidieerde rechtsbijstand voor niet-aangehouden minderjarige verdachte
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand trok de vergoeding voor verleende rechtsbijstand aan een niet-aangehouden minderjarige verdachte in, met verwijzing naar nationale regelgeving die vergoeding beperkt tot aangehouden verdachten. De rechtbank vernietigde dit besluit en stelde dat op grond van artikel 6 van Pro Richtlijn 2016/800/EU recht bestaat op gesubsidieerde rechtsbijstand, en dat deze richtlijn rechtstreekse werking heeft.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak dit oordeel. De Afdeling oordeelt dat de nationale regeling die vergoeding voor niet-aangehouden minderjarige verdachten uitsluit, niet voldoet aan de minimumnormen van de EU-richtlijnen 2016/800/EU en 2016/1919/EU. De categoriale uitsluiting is niet gerelateerd aan de belangen van het kind en houdt geen rekening met de ernst of complexiteit van de zaak, waardoor het recht op gefinancierde rechtsbijstand onvoldoende wordt gewaarborgd.
De Afdeling overweegt dat de belangen van de advocaat en de minderjarige verdachte zodanig verweven zijn dat het relativiteitsvereiste niet aan een beroep op de richtlijnen in de weg staat. De nationale bepalingen die vergoeding beperken tot aangehouden verdachten moeten buiten toepassing worden gelaten. Het hoger beroep van de raad wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.