ECLI:NL:RVS:2024:2697
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing uitkering schadefonds wegens eigen aandeel in geweldsmisdrijf drugsmilieu
Appellant vroeg een uitkering aan uit het schadefonds geweldsmisdrijven naar aanleiding van een schietincident in 2019 waarbij hij met een bijrijder op een scooter werd beschoten. Hoewel hij niet lichamelijk gewond raakte, stelde hij psychisch letsel te hebben opgelopen. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af wegens eigen aandeel van appellant in de aanleiding van het geweld, omdat hij zich bewust in het criminele drugsmilieu bevond.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit van de CSG wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat appellant in beroep het strafdossier had ontvangen en kon reageren. Appellant stelde in hoger beroep dat de CSG onrechtmatig had gehandeld, onder meer door misbruik van bevoegdheid en schending van het verbod op reformatio in peius.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de CSG terecht uitging van de feiten zoals vastgesteld door de strafrechter en dat zij vragen mocht stellen voor de beoordeling van het eigen aandeel. Het eigen aandeel was aannemelijk gemaakt met voldoende objectieve aanwijzingen, waaronder het feit dat appellant zich in het drugsmilieu begaf en geen aangifte deed van het schietincident. Het beleid van de CSG sluit uitkeringen uit bij slachtoffers met een eigen aandeel in het geweld, zeker binnen het drugsmilieu, vanwege solidariteit met slachtoffers en financiering uit gemeenschapsgeld.
De Afdeling verwierp het betoog van appellant dat bijzondere omstandigheden een gedeeltelijke uitkering rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds wegens eigen aandeel wordt bevestigd.