ECLI:NL:RVS:2023:596
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- J.M.L. Niederer
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak inzake belanghebbendheid bij intrekking Wbr-vergunning motorbrandstofverkooppunt
Bij besluit van 30 september 2020 trok de minister van Infrastructuur en Waterstaat de Wbr-vergunning in voor een motorbrandstofverkooppunt aan de A12 in Duiven, met ingang van 1 januari 2021. Oliehandel Nederland B.V. (OHN), exploitant van het verkooppunt op grond van een onderhuurovereenkomst, maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan rechtstreeks belang. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van OHN ongegrond.
OHN stelde in hoger beroep dat zij als exploitante een zelfstandig, rechtstreeks belang heeft bij het besluit, los van de contractuele relatie met de vergunninghouders. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat OHN door het intrekkingsbesluit direct wordt geraakt in haar bedrijfsvoering, waaronder het beëindigen van exploitatie en de financiële gevolgen daarvan. Hierdoor heeft OHN een zelfstandig belang en is zij belanghebbende in de zin van de Awb.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 17 februari 2021 dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. Vervolgens behandelde de Afdeling inhoudelijk het beroep van OHN, maar verklaarde het bezwaar ongegrond. De minister had de belangen zorgvuldig afgewogen en het besluit tot intrekking was gerechtvaardigd in het kader van het Tracébesluit voor de uitbreiding van de A12/A15. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het betoog dat de intrekking prematuur was vanwege de onteigeningsprocedure faalden. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan OHN.
Uitkomst: Het bezwaar van OHN tegen de intrekking van de Wbr-vergunning wordt ongegrond verklaard, maar OHN is belanghebbende en de minister moet proceskosten vergoeden.