ECLI:NL:RVS:2019:2946
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting bedrijfsloods wegens handelshoeveelheid softdrugs ondanks bezwaar medegebruikster
De burgemeester heeft op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een bedrijfsloods en het bijbehorende perceel voor zes maanden gesloten vanwege de aanwezigheid van 4.160 gram henneptoppen, wat een handelshoeveelheid betreft.
De medegebruikster en huurster van het perceel, appellant, betwistte de bevoegdheid tot sluiting en voerde aan geen wetenschap te hebben van de drugs, ernstige medische klachten te hebben en dat de sluiting onevenredig was. Zij stelde ook dat een minder vergaande sluiting mogelijk was en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit oordeel. De Afdeling oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, dat het belang van appellant bij een beoordeling van de rechtmatigheid aanwezig was, maar dat haar medische situatie en bezwaren onvoldoende waren om van sluiting af te zien of deze te beperken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen vanwege verschillen in de gevallen.
De Afdeling concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de bedrijfsloods en het perceel wegens handelshoeveelheid hennep en verklaart het hoger beroep ongegrond.