ECLI:NL:RVS:2023:4752
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geheimhouding verkeerslichtdata ter bescherming persoonlijke levenssfeer gewaarborgd
Achmea verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om openbaarmaking van MV- en V-log-bestanden van verkeerslichten op drie locaties en tijdstippen. Het college weigerde deze verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), met het oog op de bescherming van opsporing en vervolging en de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en oordeelde dat de gegevens geen persoonsgegevens zijn en dat openbaarmaking niet zou hinderen.
Het college ging in hoger beroep bij de Raad van State, stellende dat de gegevens wel persoonsgegevens zijn omdat ze in combinatie met andere gegevens herleidbaar zijn tot individuele weggebruikers. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat geen sprake was van persoonsgegevens. De gegevens kunnen eenvoudig worden gekoppeld aan personen via aanvullende bronnen zoals dashcambeelden.
De Raad van State stelde vast dat openbaarmaking zou leiden tot inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van alle weggebruikers op de betreffende tijdstippen, niet alleen van betrokkenen bij ongevallen. Het college mocht daarom het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarheid. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van Achmea ongegrond, waardoor het college niet verplicht is een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: Het beroep van Achmea wordt ongegrond verklaard en het college hoeft de gevraagde verkeerslichtdata niet openbaar te maken.