ECLI:NL:RBGEL:2025:9165

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
ARN 24/3156
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit openbaarmaking documenten op grond van de Wet open overheid (Woo)

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 31 oktober 2025, wordt het beroep van eiser tegen de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Lochem om bepaalde documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo) ongegrond verklaard. Eiser had verzocht om openbaarmaking van documenten met betrekking tot het bestemmingsplan Bosweg 2009 en de daaropvolgende planschadeprocedure. De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was om de besluiten te nemen en dat de zoekslag naar documenten voldoende inzichtelijk is gemaakt. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen die zouden wijzen op het bestaan van meer documenten. De rechtbank concludeert dat het college terecht het belang van de persoonlijke levenssfeer zwaarder heeft laten wegen dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank wijst erop dat de naam van de burgemeester in een document ten onrechte niet openbaar is gemaakt, maar dit wordt als een kennelijke vergissing beschouwd. De rechtbank bevestigt dat de bezwaarschriftencommissie onafhankelijk is en dat het bestreden besluit rechtmatig tot stand is gekomen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3156

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Lochem

(gemachtigden: E. Nijhuis en B.P.M. Vogelzang).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee verzoeken van eiser tot openbaarmaking van een aantal documenten op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het niet eens met de besluitvorming op deze verzoeken. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de openbaarmaking van documenten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit op het bezwaar tegen de besluiten op de Woo-verzoeken bevoegd is genomen en onafhankelijk tot stand is gekomen, de zoekslag van het college volledig is geweest en het college terecht heeft geweigerd bepaalde gegevens openbaar te maken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 27 september 2023 heeft eiser het college verzocht om openbaarmaking van alle informatie over de aanloop en het vaststellen van het bestemmingsplan Bosweg 2009. Op 3 oktober 2023 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van alle informatie die heeft geleid tot het advies van SAOZ over het ingediend verzoek om planschade wegens vaststelling van het bestemmingsplan Bosweg 2009.
2.1.
Bij besluit van 15 november 2023 op het verzoek van 27 september 2023 heeft het college 88 documenten openbaar gemaakt. In de openbaar gemaakte documenten is een deel van de persoonsgegevens niet openbaar gemaakt.
2.2.
Bij besluit van 24 november 2023 op het verzoek van 3 oktober 2023 heeft het college 42 documenten openbaar gemaakt. In de openbaar gemaakte documenten is een deel van de persoonsgegevens niet openbaar gemaakt.
2.3.
Met het bestreden besluit van 4 april 2024 op de bezwaren van eiser tegen beide besluiten is het college onder aanvulling van de motivering bij de besluiten op de verzoeken om openbaarmaking gebleven. Het college heeft daarbij op advies van de bezwaarschriftencommissie de naam van het afdelingshoofd in een aantal documenten openbaar gemaakt.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
2.6.
Nadat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten, heeft eiser nadere stukken ingebracht. Deze stukken gaven geen aanleiding voor heropening van het onderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

Intrekking beroepsgronden
3. Op de zitting heeft eiser zijn beroepsgronden dat de Woo niet van toepassing is op documenten die van vóór 1 mei 2022 zijn en dat de documenten ten onrechte niet fysiek aan hem verstrekt zijn, ingetrokken.
Is het bestreden besluit bevoegd genomen?
4. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Het verzoek tot openbaarmaking is afgedaan door de afdeling Ruimte, terwijl deze daarvoor niet is gemandateerd.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 10:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een door een gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit geldt als een besluit van de mandaatgever. Op grond van punt 42 van de tabel ‘Algemeen mandaat aan alle afdelingshoofden’ van het Algemeen mandaatbesluit van de gemeente Lochem, zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit, zijn afdelingshoofden bevoegd om op bezwaarschriften te beslissen. Het college heeft toegelicht dat het Woo-verzoek is afgehandeld door de afdeling Ruimte omdat het verzoek ziet op informatie over een planschadeprocedure en deze informatie zich bevindt bij de afdeling Ruimte. Er is daarom sprake van een rechtsgeldig mandaat. Het bestreden besluit is dus bevoegd genomen.
Is de zoekslag volledig geweest?
5. Eiser betoogt dat niet alle gevraagde informatie openbaar is gemaakt. Hij verwijst naar overleggen met het buurtcomité, waarvan volgens hem verslagen en afspraken moeten bestaan.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat een document toch onder het bestuursorgaan berust. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [1] Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan niet ongeloofwaardig voorkomt, wordt betrokken op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd. [2] Een bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt. [3]
5.2.
De rechtbank oordeelt dat het college de zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Uit het bestreden besluit volgt hoe het Woo-verzoek is geïnterpreteerd en hoe er is gezocht. Het college heeft op de zitting nader toegelicht in welke zaaksystemen op welke zoektermen en zoektermcombinaties is gezocht en welke vragen aan de betrokken medewerkers zijn gesteld.
5.3.
Het is vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat er meer documenten bij het college zijn. Op de zitting heeft het college heeft toegelicht dat er niet meer informatie bestaat over de door eiser bedoelde overleggen en afspraken met het buurtcomité, omdat ze niet zijn aangetroffen na grondige doorzoeking in de systemen. De rechtbank komt deze mededeling niet ongeloofwaardig voor. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven waarom er meer documenten zouden moeten zijn. Eiser is er daarom niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er meer documenten bij het college zijn.
Mocht het college het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarmaking?
6. Eiser betoogt dat het college het belang van bescherming van eerbieding van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo ten onrechte zwaarder heeft laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Eiser wil het handelen van betrokken ambtenaren kunnen controleren. Ook heeft het college ten onrechte de naam van de burgemeester zwartgelakt.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de toepasselijkheid van art. 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo is in de eerste plaats relevant of informatie op zichzelf en in combinatie met andere informatie zonder onevenredige inspanning te herleiden is tot een persoon. [4] De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de zwartgelakte informatie zonder onevenredige inspanning tot personen te herleiden is.
6.1.1.
Vervolgens moet het belang van openbaarheid worden afgewogen tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. [5] De rechtbank moet daarom beoordelen of het college het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder mocht laten wegen dan het belang van openbaarheid van de kenmerken van de brieven. Het is vaste rechtspraak dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich kan verzetten tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener aannemelijk maakt dat het belang van openbaarheid in dit geval zwaarder weegt. [6] Het belang van eiser bij openbaarmaking van de niet-openbaar gemaakte informatie is dat hij het handelen van ambtenaren wil kunnen controleren. De betrokken ambtenaren werken onder verantwoordelijkheid van het college, het college mocht daarom het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarmaking van de kenmerken. Daar komt bij dat de gegevens niet alleen bekend worden gemaakt aan eiser, maar aan een ieder.
6.1.2.
Eiser betoogt dat het college ten onrechte in een aantal documenten de naam van de burgemeester niet openbaar heeft gemaakt, maar kan desgevraagd niet aanwijzen in welke documenten dat het geval is. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennisgenomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken waarvan openbaarmaking met toepassing van deze weigeringsgrond is geweigerd. De rechtbank heeft geconstateerd dat het college in deze stukken alleen in document 46 bij het Woo-besluit van 15 november 2023 de naam van de burgemeester heeft zwartgelakt. Uit de aard van het document blijkt dat het om de naam van de burgemeester gaat, omdat het de naam van de voorzitter van de gemeenteraad betreft. Omdat daarnaast de naam van de burgemeester in de rest van het document (en de andere documenten) niet is zwartgelakt, is hier sprake van een kennelijke vergissing. De rechtbank gaat er vanuit dat het college dit zal corrigeren en ziet in deze kennelijke vergissing geen grond om deze beroepsgrond te laten slagen.
Is de bezwaarschriftencommissie onafhankelijk?
7. Eiser betoogt dat de bezwaarschriftencommissie niet onafhankelijk is omdat de secretaris van deze commissie ook werkzaam is bij de gemeente Lochem als juridisch beleidsmedewerker. Voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar heeft eiser gezien dat de secretaris samen met leden van de bezwaarschriftencommissie een vooroverleg had. Het bestreden besluit is daarom onrechtmatig tot stand gekomen.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De secretaris van de bezwaarschriftencommissie is op grond van artikel 6 van de Verordening commissie bezwaarschriften 2019 van de gemeente Lochem een door het college aangewezen ambtenaar. Artikel 7:13, eerste lid onder b, van de Awb vereist dat de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie onafhankelijk is, maar deze eis geldt niet voor de secretaris. Verder is ook niet gebleken dat de secretaris een persoonlijk belang heeft bij de besluitvorming, zodat ook geen sprake is van een schending van artikel 2:4, tweede lid, van de Awb. Het advies waarop het college het bestreden besluit baseert is daarom niet onrechtmatig tot stand gekomen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2915, ro. 8.1.
2.ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743, ro. 4.1.
3.ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, ro. 5.1.
4.Vergelijk ABRvS 30 september 2009, ECLI:NLRVS:2009:BJ8937, ro. 2.7 en ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4752 ro. 4.4.
5.ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4752 ro. 4.5.
6.ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4322, ro. 4.2.