ECLI:NL:RVS:2023:4642
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens onvoldoende bewijs identiteit en nationaliteit
Appellant, afkomstig uit Angola en sinds 2001 in Nederland, verzocht op 7 mei 2020 om het Nederlanderschap. De staatssecretaris weigerde dit verzoek op 17 november 2021 vanwege twijfels over zijn identiteit en nationaliteit, omdat appellant geen gelegaliseerde geboorteakte en geldig paspoort kon overleggen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij zijn identiteit en nationaliteit reeds in eerdere procedures had aangetoond en dat hij in bewijsnood verkeerde vanwege onmogelijkheid om documenten te verkrijgen, mede door veiligheidsrisico's en financiële problemen. Hij overhandigde een gelegaliseerde geboorteakte, maar geen geldig paspoort. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris bevoegd is om bewijs van identiteit en nationaliteit te verlangen en niet gebonden is aan eerdere vaststellingen. De gelegaliseerde geboorteakte kon niet worden meegewogen omdat deze niet bij het oorspronkelijke verzoek was ingediend.
De Afdeling verwierp het beroep op bewijsnood omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij alles had gedaan om de benodigde documenten te verkrijgen. Ook het betoog dat reizen naar Angola onveilig of financieel onmogelijk zou zijn, werd onvoldoende onderbouwd geacht. Verder werd gewezen op het belang van het zorgvuldig vaststellen van identiteit en nationaliteit bij naturalisatie. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd wegens onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit.