ECLI:NL:RVS:2023:277
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit burgemeester sluiting woning wegens drugsbezit in Rotterdam
Op 30 april 2020 vond een politiecontrole plaats in de woning van appellant in Rotterdam, waarbij ruim 10 kilogram cannabis en verpakkingsmateriaal werden aangetroffen. De burgemeester besloot daarop de woning voor zes maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de burgemeester bevoegd was en de sluiting noodzakelijk en evenredig was vanwege de grote hoeveelheid drugs, het veiligheidsrisicogebied en de rol van de woning in drugshandel. Appellant voerde aan dat de burgemeester niet bevoegd was, de sluiting niet noodzakelijk was en dat de maatregel onevenredig was vanwege persoonlijke omstandigheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en de sluiting noodzakelijk mocht achten, maar dat het besluit op bezwaar van 9 december 2020 tegenstrijdig was met het eerdere besluit tot opheffing van de sluiting op 30 november 2020. De burgemeester had onvoldoende gemotiveerd waarom de sluiting werd gehandhaafd ondanks de adviezen van een psycholoog en het Wijkteam. Hierdoor werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De burgemeester hoeft geen nieuw besluit te nemen omdat de sluiting inmiddels is beëindigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning vernietigd.