ECLI:NL:RVS:2022:2372
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A. Kuijer
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige langdurig ingezetene
De vreemdeling, afkomstig uit Albanië en langdurig ingezetene in Griekenland, vroeg om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als zelfstandige dakwerker in Nederland. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat hij daadwerkelijk als zelfstandige werkte. De rechtbank bevestigde deze afwijzing en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte twee cumulatieve vereisten hanteerde, terwijl volgens artikel 3.30, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 slechts het middelentoetsvereiste geldt voor langdurig ingezetenen. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris ook moet toetsen of de vreemdeling arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, ook bij langdurig ingezetenen.
De vreemdeling had diverse bewijsstukken overgelegd, waaronder jaarverslagen, facturen en overeenkomsten, waaruit blijkt dat hij werkzaamheden als zelfstandige verricht. De Afdeling stelde vast dat het gebruik van inventaris van opdrachtgevers niet automatisch wijst op een gezagsverhouding. De staatssecretaris had onvoldoende gemotiveerd waarom de vreemdeling niet als zelfstandige kon worden beschouwd en had ook niet beoordeeld of hij voldoende middelen van bestaan verwerft. Daarnaast mocht de staatssecretaris niet van het horen in bezwaar afzien omdat er wel degelijk twijfel bestond over de bezwaren.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onjuiste toepassing van het toetsingskader.