ECLI:NL:RVS:2023:1272
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over rechtmatig verblijf vreemdeling na adoptie als gemeenschapsonderdaan
De zaak betreft een vreemdeling die na adoptie door een Nederlands-Duits echtpaar rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wil verkrijgen. De staatssecretaris wees de aanvraag voor een artikel 9-document af, onder meer omdat de vreemdeling geen geldig paspoort had en niet aannemelijk maakte dat zij voor haar komst ten laste kwam van haar ouders.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling door haar adoptie een rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn is geworden en dat het vereiste van ten laste komen niet op haar van toepassing was omdat zij minderjarig was bij adoptie en reeds in Nederland verbleef. De rechtbank vernietigde het besluit van de staatssecretaris en bepaalde dat deze opnieuw moest beoordelen of de vreemdeling rechtmatig verblijf had.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in, stellende dat hij niet bevoegd was om de ingangsdatum van het verblijfsrecht vast te stellen en dat de vreemdeling geen familielid was als bedoeld in de Verblijfsrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de staatssecretaris de beoordeling over het rechtmatig verblijf ten tijde van de adoptie had moeten maken en dat de motivering van het besluit ondeugdelijk was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De staatssecretaris moet het besluit heroverwegen met inachtneming van de juiste juridische kaders en feiten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.