ECLI:NL:RBDHA:2020:13849
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument voor gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende bewijs ten laste komen
Eiser, een Ghanese staatsburger geboren in 1998, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waarbij hij stelde rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan te hebben via zijn vader, de referent, die in Nederland woont.
Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet had aangetoond dat hij ten laste kwam van de referent, zoals vereist volgens het Vreemdelingenbesluit 2000. Tevens werd Ghana als land van herkomst vastgesteld, ondanks dat eiser stelde dat Spanje dat was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht Ghana als land van herkomst aanmerkte, gebaseerd op het moment waarop eiser zich bij de referent voegde. Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd van noodzakelijke materiële ondersteuning door de referent, ondanks overgelegde verklaringen en betaalbewijzen.
Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht afzag van het horen in bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.