ECLI:NL:RVS:2022:638
Raad van State
- Hoger beroep
- J.TH. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging last onder dwangsom wegens onduidelijkheid en onevenredigheid
Het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf legde op 11 maart 2019 aan de eigenaren van een perceel aan de locatie in Landgraaf een last onder dwangsom op om diverse bouwwerken te verwijderen en het strijdige gebruik te staken. De bouwwerken betroffen onder meer stallencomplexen, een hondenhok, erfafscheidingen, keermuren en een stalen draagconstructie, waarvan het gebruik en de bouw in strijd waren met het bestemmingsplan en zonder omgevingsvergunning plaatsvonden.
De rechtbank Limburg oordeelde dat de lasten onder dwangsom onvoldoende duidelijk waren geformuleerd en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Het college stelde dat de lasten wel duidelijk waren en verwees naar de beleidsnotitie voor de hoogte van de dwangsom. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat uit de formulering onvoldoende blijkt wat als een afzonderlijke overtreding wordt gezien en dat de motivering voor de hoogte van de dwangsom ontbreekt.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de appellanten verviel omdat het hoger beroep van het college ongegrond werd verklaard. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan de appellanten. Het griffierecht werd opgelegd aan het college.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.