Uitspraak
Datum uitspraak: 23 februari 2022
BESTUURSRECHTSPRAAK
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde aan [appellant sub 2] bestuurlijke boetes op wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimten aan de bestemming tot bewoning door kortdurende vakantieverhuur op twee adressen in Utrecht. Inspecties in april en mei 2019 toonden aan dat de woningen werden verhuurd via platforms als Booking.com en AirBnB, wat in strijd was met het bestemmingsplan en de Huisvestingswet.
De rechtbank oordeelde echter dat de overtreding [appellant sub 2] niet kon worden verweten vanwege onduidelijkheid over het short stay-beleid en stelde de boetes op nihil. Het college en [appellant sub 2] gingen in hoger beroep, waarbij het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] de bevoegdheid tot boeteoplegging betwistte.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de woningen op basis van objectieve maatstaven tot de woonruimtevoorraad behoren en dat het gebruik voor kortdurende vakantieverhuur zonder vergunning een overtreding is van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet. De boetes zijn terecht opgelegd, aangezien het beleid voor kortdurende vakantieverhuur duidelijk was en [appellant sub 2] als professionele verhuurder had moeten weten dat dit niet was toegestaan.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 28 januari 2020 wordt afgewezen. [appellant sub 2] moet de boetes van €12.500 per woning betalen.
Uitkomst: De bestuurlijke boetes van €12.500 per woning worden bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.