ECLI:NL:RVS:2024:4741
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep tegen weigering onttrekkingsvergunning voor short stay verhuur appartement
De Stichting werd eigenaar van een pand aan de Keizerstraat 340 te Den Haag en liet dit splitsen in twee appartementen, waaronder een appartement op de tweede verdieping bestemd voor verhuur. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde een onttrekkingsvergunning voor het appartement dat voor short stay verhuur werd gebruikt. De rechtbank verklaarde het beroep van de Stichting tegen deze weigering ongegrond, waarna de Stichting hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het appartement sinds 2015 tot de woningvoorraad behoort, gelet op objectieve maatstaven zoals de splitsingsvergunning, het bestemmingsplan en inschrijving in de Basisregistratie Personen. De verhuur aan toeristen zonder inschrijving in de BRP maakte dat het appartement onttrokken werd aan de woningvoorraad, waarvoor een onttrekkingsvergunning vereist is volgens de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.
De Stichting voerde aan dat voor de verhuur in 2016 geen vergunning nodig was op grond van een eerdere verordening, maar de Afdeling vernietigde die eerdere uitspraak en bevestigde dat de vergunningplicht ook voor 2019 geldt. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Daarnaast werd vastgesteld dat de totale procedure ruim elf maanden langer duurde dan de redelijke termijn, waardoor het college en de Staat werden veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 elk aan de Stichting. Ook werden proceskosten toegekend voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Stichting wordt ongegrond verklaard en het college en de Staat worden veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.