ECLI:NL:RVS:2022:418
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit ligplaats in strijd met bestemmingsplan in Natura 2000-gebied
Het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren legde aan appellant een last onder dwangsom op om het innemen van een ligplaats nabij zijn perceel te staken, omdat dit in strijd zou zijn met het bestemmingsplan "Buitengebied Noord - 2017". Appellant voerde onder meer aan dat het college niet bevoegd was tot handhaving, dat er sprake was van een vergunning van rechtswege, en dat het handhavend optreden onevenredig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het innemen van een ligplaats niet is toegestaan op de locatie omdat deze niet als ligplaats is aangeduid in het bestemmingsplan en niet valt onder de toegestane vormen van recreatie. De eigendom van het water waarop de boot lag, behoort niet aan appellant toe, maar aan Staatsbosbeheer. Het college was bevoegd tot handhaving en deze bevoegdheid was niet vervallen door een vergunning van rechtswege, omdat appellant geen geldige aanvraag had ingediend.
Verder oordeelde de Afdeling dat er geen bijzondere omstandigheden waren die het college zouden verplichten af te zien van handhaving. Het betoog dat handhaving onevenredig is vanwege langdurig gedogen werd verworpen, omdat de boot slechts vijf jaar lag en het college direct handhavend optrad na constatering. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat de andere ligplaatsen een andere juridische status hebben. Ook de hoogte van de dwangsom werd als proportioneel beoordeeld.
Uiteindelijk bevestigde de Afdeling het bestreden vonnis en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.