ECLI:NL:RVS:2019:829
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- F.D. van Heijningen
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake handhaving en omgevingsvergunning yurt op Texel
Het college van burgemeester en wethouders van Texel legde aan appellanten een last onder dwangsom op om een zonder vergunning geplaatste yurt te verwijderen. Appellanten stelden dat een omgevingsvergunning van rechtswege was verleend omdat het college niet tijdig had beslist op hun aanvraag. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat het college onbevoegd was tot handhaving en vernietigde het handhavingsbesluit.
In hoger beroep stelde de Afdeling bestuursrechtspraak vast dat de brief van 23 december 2016, waarin appellanten bezwaar maakten en een vergunning verzochten, niet als een zelfstandige aanvraag kon worden aangemerkt. Hierdoor was geen omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Ook oordeelde de Afdeling dat het college bevoegd was om handhavend op te treden en te beslissen op de latere, formele aanvraag van 7 maart 2017.
Het incidenteel hoger beroep van appellanten over het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze gronden niet eerder waren aangevoerd. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van het college gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.