ECLI:NL:RVS:2022:404
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verlenging inburgeringstermijn wegens psychische beperkingen
Appellante verzocht om verlenging van haar inburgeringstermijn, nadat zij wegens PTSS en depressie niet aan haar inburgeringsplicht kon voldoen binnen de reeds verlengde termijn tot 18 oktober 2018. De minister wees dit verzoek af op basis van negatieve medische adviezen van Argonaut. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt een juiste uitleg geeft aan artikel 7b, derde lid, van de Wet inburgering, en dat ook chronische psychische beperkingen onder de regeling vallen. De medische adviezen van Argonaut zijn deugdelijk en gebaseerd op voldoende medische stukken, ondanks het betoog van appellante dat er onvoldoende onderzoek is gedaan en dat relevante informatie buiten beschouwing is gelaten.
Verder oordeelde de Raad dat het verzoek om ontheffing van de inburgeringsplicht niet aan de orde was in deze procedure en dat appellante hiervoor zelf een aanvraag moet indienen. De stellingen over het VN Gehandicaptenverdrag en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte werden niet gevolgd, mede omdat artikel 5, derde lid, van het verdrag geen directe werking heeft.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het verzoek tot verlenging van de inburgeringstermijn wegens onvoldoende medische gronden.