ECLI:NL:RVS:2019:1239
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht na hoger beroep
De minister legde appellant een boete van €1.000 op wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht volgens artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat appellant slechts drie van de vijf examenonderdelen binnen de termijn had behaald, wat volgens het gewijzigde matigingsbeleid van de minister leidt tot een verdere matiging van de boete tot €400. Appellant voerde aan dat hij vanwege psychische problemen niet in staat was de overige onderdelen tijdig te behalen, maar slaagde er niet in dit met een medisch advies aannemelijk te maken.
Verder wees de Raad van State het verzoek van appellant om vrijstelling van examenonderdelen af, omdat deze verzoeken niet in deze procedure aan de orde waren. Ook het argument dat de minister had moeten afzien van boeteoplegging vanwege mogelijke verblijfsrechtelijke gevolgen werd verworpen, aangezien alleen de boeteoplegging ter toetsing stond.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit over de boete, en stelde de boete definitief vast op €400. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De boete wegens niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht is gematigd vastgesteld op €400.