ECLI:NL:RVS:2022:3858
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor zelfstandige woning in voormalige garage
Appellante vroeg om legalisatie van het gebruik van haar voormalige garage als onzelfstandige woonruimte voor twee personen, maar de aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar geweigerd omdat het gebruik als zelfstandige woning in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
De Afdeling oordeelt dat de aanvraag, ondanks de stelling van appellante dat het om kamerverhuur gaat, op het gebruik van de garage als zelfstandige woning ziet. Dit blijkt uit de bij de aanvraag behorende tekening waarop een zelfstandige woning met eigen toegang en voorzieningen is aangegeven. Het college mocht het gebruik als zelfstandige woning weigeren vanwege het gemeentelijke beleid dat wonen-achter-wonen voorkomt en het ruimtelijke belang zwaarder weegt dan het belang van appellante.
Appellante voerde aan dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom het gebruik als zelfstandige woning intensiever zou zijn dan kamerverhuur en dat het besluit onevenredig nadelige gevolgen heeft. De Afdeling oordeelt dat het college beleidsruimte heeft om belangen af te wegen en dat de motivering voldoende is. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezegging is gedaan dat het gebruik als zelfstandige woning zou worden toegestaan.
De Afdeling concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning voor zelfstandige bewoning in de voormalige garage wordt bevestigd.