ECLI:NL:RVS:2022:2942
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verwerping verzoek nadeelcompensatie wegens verjaring na herinrichting Eckeltsebeek
Appellant exploiteert een agrarische onderneming nabij de Eckeltsebeek en heeft drie percelen die door de herinrichting van de beek in 2005 zijn vernatterd. Hij verzocht in 2018 om nadeelcompensatie, nadat een eerder verzoek door een samenwerkingspartner in 2014 was ingediend en toegekend, maar zonder zijn drie percelen.
Het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg wees het verzoek af vanwege verjaring, een standpunt dat ook door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde dat de verjaring pas in 2014 begon, toen het waterschap het causaal verband erkende, en dat bijzondere omstandigheden en het gelijkheidsbeginsel toepassing behoefden.
De Raad van State oordeelt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begon in 2005, toen de schade zich manifesteerde en appellant bekend was met de schade en aansprakelijke partij. Het overleg en de erkenning van het waterschap in 2014 verhinderen de verjaring niet. Ook is geen sprake van stuiting van de verjaring door appellant.
Verder is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden omdat de situaties van appellant en de samenwerkingspartner onvoldoende vergelijkbaar zijn. Appellant maakte bewust de keuze om het verzoek niet samen in te dienen en nam pas na beëindiging van de samenwerking contact op met het waterschap.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om nadeelcompensatie wordt afgewezen wegens verjaring.