ECLI:NL:RVS:2022:2568
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering urgentieverklaring wegens te kleine woonruimte en eigen toerekenbaarheid
Appellant woont met zijn echtgenote en twee kinderen in een bovenwoning van 31 m2 te Den Haag, die te klein is voor het gezin. Hij diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring, die door het college van burgemeester en wethouders werd afgewezen op grond van algemene weigeringsgronden in de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het huisvestingsprobleem voortkomt uit aan appellant toe te rekenen handelen: hij had kunnen voorzien dat het samenwonen met zijn nareizende gezin tot problemen zou leiden. Ook het beroep op de hardheidsclausule werd afgewezen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij geen andere keuze had en dat zijn gezin onverwacht in Nederland mocht blijven, wat hem in een noodsituatie bracht. De Raad van State oordeelde dat deze omstandigheden niet leiden tot een overmachtssituatie en dat het college terecht de aanvraag heeft geweigerd. De hardheidsclausule is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toepasbaar en de psychische klachten van het gezin zijn onvoldoende om hiervan af te wijken.
De recente dreiging van uitzetting door de verhuurder kon niet worden meegewogen, maar appellant kan een nieuwe aanvraag indienen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de weigering van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.