ECLI:NL:RVS:2022:3397
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens niet voldoen aan Huisvestingsverordening Den Haag
Appellant vroeg op 28 augustus 2019 een urgentieverklaring aan omdat zij de huur niet meer kon opbrengen en een woning wilde die bij haar inkomen past. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat appellant niet had aangetoond dat zij drie maanden voorafgaand aan de aanvraag actief had gereageerd op het beschikbare woningaanbod en omdat zij een onzelfstandige woonruimte bewoonde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college de hardheidsclausule terecht niet had toegepast. Appellant stelde in hoger beroep dat zij wel actief had gereageerd en dat de hardheidsclausule van toepassing was.
De Raad van State overwoog dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, met name artikel 4:5 lid Pro m, omdat zij niet ten minste twee keer per week had gereageerd en meerdere passende woningen had geweigerd. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de woonsituatie van appellant niet zodanig schrijnend was dat afwijking gerechtvaardigd was.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd omdat appellant niet voldeed aan de reactieverplichting en geen urgent huisvestingsprobleem had.