ECLI:NL:RVS:2022:3316
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende woningzoekgedrag en geen hardheidsclausule
Appellant heeft een urgentieverklaring aangevraagd vanwege fysieke en psychische gezondheidsklachten en een te kleine, slechte woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat appellant niet ten minste twee keer per week had gereageerd op het woningaanbod en de woning geen urgent huisvestingsprobleem opleverde.
De rechtbank stelde een gebrek vast in het besluit van het college en gaf het college de gelegenheid dit te herstellen. Na aanvullende motivering handhaafde de rechtbank het besluit, omdat er geen ernstige bedreiging van de gezondheid door de woonsituatie was aangetoond en de schimmel in de woning verholpen kon worden door verwarming.
Appellant voerde aan dat het beginsel van gelijke proceskansen was geschonden en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege de woonsituatie en psychische problemen. De Raad van State oordeelde dat het college en de rechtbank terecht hadden geoordeeld dat appellant onvoldoende had gereageerd op het woningaanbod en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was.
De recente omstandigheden, waaronder een echtscheidingsprocedure, konden niet worden meegewogen in deze procedure, maar appellant kan een nieuwe aanvraag indienen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd.