ECLI:NL:RVS:2022:2471
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling kinderopvangtoeslag 2016 en 2017
De Belastingdienst/Toeslagen stelde bij besluiten van februari 2019 de kinderopvangtoeslag voor 2016 en 2017 op nihil voor appellant vast. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zij kosten had gemaakt voor professionele kinderopvang. De dienst verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna appellant beroep instelde. In oktober 2019 herzag de dienst de besluiten en stelde de toeslagen vast op respectievelijk €7.438,00 en €2.740,00.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit over 2016 niet-ontvankelijk en het beroep over 2017 ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in. De Afdeling oordeelde dat de Belastingdienst terecht geen toeslag toekende voor juni 2017 vanwege gebrek aan bewijs, ondanks onvolledige opgave van de kinderopvangorganisatie. De Afdeling bevestigde dat onvolledige uitbetaling van voorschotten geen onderdeel van het besluit was en dat het verzoek om schadevergoeding buiten de bestuursrechter viel.
Ten aanzien van de hoorplicht oordeelde de Afdeling dat deze niet gold voor 2016, maar wel voor 2017. Het gebrek werd echter gepasseerd omdat appellant alsnog gelegenheid had gekregen haar standpunt toe te lichten en geen nadeel had ondervonden. De Afdeling stelde de proceskostenveroordeling van de rechtbank wegens een te laag puntbedrag vast op €2.277,00 en veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van het verschil en de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond; proceskostenveroordeling rechtbank vernietigd en vastgesteld op hoger bedrag; overige uitspraak bevestigd.