ECLI:NL:RBMNE:2025:3028
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- N. Durdabak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing zorgtoeslagaanvraag wegens te late indiening en geen schending bestuursrechtelijke beginselen
Eiseres heeft zorgtoeslag aangevraagd voor de jaren 2019, 2020 en 2021, maar deze aanvragen zijn door Dienst Toeslagen afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke aanvraagtermijn. Eiseres voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat Dienst Toeslagen haar niet had geïnformeerd over de mogelijkheid tot aanvraag, waardoor zij een beroep deed op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank oordeelt dat artikel 15, eerste lid, van de Awir een dwingendrechtelijke termijn bevat waarbinnen de aanvraag moet zijn ingediend. Uit de stukken blijkt niet dat eiseres uitstel had gekregen voor het doen van aangifte inkomstenbelasting, waardoor de aanvraag terecht is afgewezen. De kan-bepaling in artikel 15, zevende lid, Awir verplicht Dienst Toeslagen niet tot toezending van aanvraagformulieren, zodat geen schending van zorgplicht, zorgvuldigheids-, vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld.
Eiseres stelde ook dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat huurtoeslagontvangers automatisch zorgtoeslag ontvangen, maar de rechtbank concludeert dat deze vergelijking niet opgaat omdat eiseres in Duitsland woont en niet in aanmerking komt voor huurtoeslag.
Een verzoek om herziening op grond van artikel 21a Awir wordt afgewezen omdat er geen eerdere toekenning van toeslag was. Tevens is het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat het beroep ongegrond is en de redelijke termijn nog niet is overschreden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de zorgtoeslagaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.