ECLI:NL:RVS:2022:2195
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens niet tijdig besluit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 29 juni 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde vervolgens beroep in tegen deze afwijzing bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. Daarnaast had de vreemdeling ook beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
De rechtbank ging echter niet in op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en veroordeelde de staatssecretaris ook niet in de proceskosten die hiermee verband hielden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank dit ten onrechte heeft nagelaten, omdat de staatssecretaris inmiddels alsnog een besluit heeft genomen, waardoor het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
Verder stelt de Afdeling dat de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 Awb Pro de proceskosten moet vergoeden die verband houden met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat het alsnog nemen van het besluit wordt aangemerkt als tegemoetkomen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat dit betreft, verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €759,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.