ECLI:NL:RVS:2021:937
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- H. Troostwijk
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring wegens deelname aan terroristische organisatie
Appellant, geboren met de Marokkaanse nationaliteit en sinds 1995 ook Nederlander, werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 21 januari 2019 het Nederlanderschap ontnomen en ongewenst verklaard wegens zijn deelname aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS). Deze besluiten zijn gebaseerd op een strafvonnis waarin appellant is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor deelname aan IS.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van appellant behandeld en alle aangevoerde gronden verworpen. Zo is geoordeeld dat de intrekking niet met terugwerkende kracht is toegepast en dat de staatssecretaris voldoende bewijs heeft geleverd dat appellant ook na 11 maart 2017 bij IS was aangesloten. Het betoog over willekeur faalt omdat de staatssecretaris per zaak beoordeelt of voldoende informatie beschikbaar is.
Verder is het beroep op discriminatie en onevenredigheid afgewezen. De intrekking is proportioneel en noodzakelijk voor de bescherming van de nationale veiligheid. Ook het ne-bis-in-idem-beginsel en het ontbreken van een zienswijzeprocedure vormen geen grond voor vernietiging. De ongewenstverklaring is eveneens terecht, mede omdat appellant vrijwillig naar een door IS gecontroleerd gebied is vertrokken. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring worden bevestigd.