ECLI:NL:RVS:2021:2614
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit tot verlaging erfafscheiding ondanks beroep en gelijkheidsbeginsel
Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg legde aan verzoeker op 10 december 2019 een last op om zijn betonnen erfafscheiding te verlagen tot 2 meter, conform de verleende omgevingsvergunning van 18 juni 2019. Verzoeker had een hogere erfafscheiding van 2,20 meter gerealiseerd, wat in strijd is met het bestemmingsplan en de vergunning. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die het bezwaar deels vernietigde, stelde verzoeker hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De Raad van State oordeelde dat het college bevoegd was om handhavend op te treden omdat sprake was van een overtreding. Er was geen concreet zicht op legalisatie omdat het college niet bereid was een vergunning voor de hogere erfafscheiding te verlenen. Ook was het handhavend optreden niet onevenredig, ondanks de geringe overschrijding van 20 cm en de kosten voor verzoeker. Het algemeen belang bij handhaving woog zwaarder dan de persoonlijke belangen van verzoeker.
Verzoeker voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat het college niet handhavend optrad tegen andere hogere erfafscheidingen in de wijk. De Raad van State bevestigde dat het college geen actief handhavingsbeleid voert en prioriteiten stelt, maar dat dit niet betekent dat na een handhavingsverzoek niet mag worden opgetreden. De gevallen waren bovendien niet vergelijkbaar omdat de andere erfafscheidingen niet aan openbaar gebied grensden en er geen handhavingsverzoeken tegen waren ingediend.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Wel werd bepaald dat tot vier weken na openbaarmaking van de uitspraak geen dwangsommen zullen worden verbeurd om verzoeker de gelegenheid te geven alsnog aan de last te voldoen zonder dwangsom.
Uitkomst: Het hoger beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit tot verlaging van de erfafscheiding wordt bevestigd.