ECLI:NL:RVS:2018:936
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen plaatsing ondergrondse restafvalcontainers in Archipelbuurt Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde op 10 januari 2017 een plaatsingsplan vast waarin onder meer locatie 46-36C in de Archipelbuurt werd aangewezen voor het plaatsen van twee ondergrondse restafvalcontainers (orac’s). Omwonenden, waaronder appellant, maakten bezwaar tegen deze locatie vanwege vrees voor geur- en geluidshinder, stressklachten, belemmering van de bereikbaarheid van woningen en aantasting van de verhuurbaarheid.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep behandeld en beoordeeld of het college in redelijkheid tot de locatiekeuze heeft kunnen komen. Het college heeft toegelicht dat de orac’s geur- en geluidshinder minimaliseren door hun constructie en reiniging, dat lediging beperkt en gereguleerd plaatsvindt en dat handhaving wordt toegepast tegen onjuist gebruik. De Afdeling achtte deze toelichting aannemelijk en vond geen grond voor de gevreesde hinder of bereikbaarheidsschade.
Daarnaast wees de Afdeling de door appellant genoemde alternatieve locaties af, omdat deze vanwege technische en verkeerskundige redenen minder geschikt zijn. De Afdeling concludeerde dat het college voldoende motivering heeft gegeven en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de locatie voor plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers is ongegrond verklaard.