ECLI:NL:RVS:2021:1432
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- D.A. Verburg
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van ingangsdatum verblijfsvergunning asiel op datum eerste aanvraag
De vreemdeling uit Burkina Faso diende op 14 april 2009 een eerste asielaanvraag in, die door de staatssecretaris werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid. Na een opvolgende aanvraag in 2016 en overlegging van een medisch rapport, werd alsnog een asielvergunning verleend met ingang van 24 maart 2016. De vreemdeling verzocht vervolgens om herziening van de ingangsdatum naar 14 april 2009, hetgeen door de staatssecretaris werd afgewezen.
De rechtbank stelde in eerste aanleg de ingangsdatum van de vergunning op 14 april 2009 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de kosten van het medisch rapport. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in, stellende dat het eerdere besluit niet evident onjuist was en dat het rechtszekerheidsbeginsel een terugwerkende kracht van de vergunning in de weg staat.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat een verzoek om heroverweging kan leiden tot een vergunning met terugwerkende kracht als later blijkt dat aan de vereisten al eerder was voldaan. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt primair de vreemdeling en staat een eerdere ingangsdatum niet in de weg. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep van de staatssecretaris af.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met bijna zes maanden was overschreden, wat volledig aan de staatssecretaris toe te rekenen is. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en een immateriële schadevergoeding van €500 aan de vreemdeling.
Uitkomst: De ingangsdatum van de asielvergunning wordt bevestigd op 14 april 2009 en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade.