ECLI:NL:RVS:2021:115
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging betrokkenheid genocide Rwanda
Appellant verblijft sinds 1999 in Nederland en verkreeg in 2006 het Nederlanderschap. De staatssecretaris trok dit in 2014 in op grond van artikel 14 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat appellant in de naturalisatieprocedure heeft gezwegen over zijn rol bij de genocide in Rwanda in 1994. Het individueel ambtsbericht en aanvullend onderzoek wijzen op zijn betrokkenheid bij het aansturen van Hutu-milities en het faciliteren van moorden op Tutsi's.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De staatssecretaris ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het individueel ambtsbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
Appellant stelde dat voor intrekking hard bewijs vereist is en dat de procedure zijn rechten schendt, waaronder het beginsel van onschuld en equality of arms. De Afdeling oordeelt dat de intrekking geen strafrechtelijke sanctie is, maar een bestuurlijke maatregel gericht op correctie van frauduleus handelen. Er is geen sprake van een strafrechtelijke procedure en de onschuldpresumptie is daarom niet van toepassing. De staatssecretaris heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en appellant heeft voldoende gelegenheid gehad tot verweer.
Verder is geen sprake van discriminatie of schending van het verbod op willekeur. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel is adequaat gemaakt. Prejudiciële vragen zijn niet noodzakelijk. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wegens verzwijging van betrokkenheid bij genocide in Rwanda wordt bevestigd.