ECLI:NL:RVS:2018:4038
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verblijfsontzegging wegens herhaalde ordeverstoringen in harddrugsoverlastgebied
De burgemeester van Den Haag legde appellant een verblijfsontzegging op voor de periode van 25 november 2016 tot 25 december 2016, vanwege driemaal gepleegde ordeverstoringen binnen zes maanden. Appellant stelde bezwaar en beroep in, maar zowel de burgemeester als de rechtbank verklaarden deze ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM Pro van toepassing zou zijn en dat de maatregel disproportioneel was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de onschuldpresumptie niet van toepassing is omdat het hier een niet-punitieve bestuursrechtelijke maatregel betreft zonder parallel lopende strafrechtelijke procedure. De maatregel is gericht op het voorkomen van verdere overlast en niet op bestraffing.
Verder werd geoordeeld dat de verblijfsontzegging niet disproportioneel is. De beperking van de bewegingsvrijheid staat in redelijke verhouding tot het doel van het voorkomen van drugsgerelateerde overlast in het aangewezen gebied. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij wegens dringende redenen in het gebied aanwezig moest zijn. De termijn van één maand werd als niet onredelijk lang beschouwd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verblijfsontzegging van een maand wegens herhaalde ordeverstoringen in een harddrugsoverlastgebied wordt bevestigd.