Uitspraak
Datum uitspraak: 26 mei 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
oorzitter
Raad van State
In deze verwijzingsuitspraak gaat het om de uitleg van artikelen 27, derde lid, en 29, eerste lid, van Verordening 604/2013 (de Dublinverordening) met betrekking tot de overdrachtstermijn van vreemdelingen aan de verantwoordelijke lidstaat en de opschorting daarvan bij bezwaar of beroep tegen het overdrachtsbesluit.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft in drie zaken aanvragen om een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk werd gehouden. De vreemdelingen hebben daarnaast bezwaar gemaakt tegen afwijzingen van aanvragen om verblijf wegens slachtofferschap van mensenhandel, wat volgens het Nederlandse systeem opschortende werking heeft op de overdrachtstermijn. De rechtbanken oordeelden echter dat een bezwaar tegen een ander besluit dan het overdrachtsbesluit geen opschortende werking heeft op de overdrachtstermijn.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken en betoogt dat de opschorting van de overdrachtstermijn wel gerechtvaardigd is door het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om verblijf wegens mensenhandel. De Afdeling bestuursrechtspraak ziet zich genoodzaakt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van de relevante artikelen van de Dublinverordening in relatie tot het Nederlandse systeem.
De behandeling van de hoger beroepen is geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. De Afdeling benadrukt dat het doel van de Dublinverordening is om een snelle en rechtszekere vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat te waarborgen en tegelijkertijd misbruik en forumshoppen te voorkomen, terwijl ook de rechten van slachtoffers van mensenhandel worden beschermd.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen is geschorst in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de uitleg van de Dublinverordening.