ECLI:NL:RVS:2021:100
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat vier procedures samenhangend zijn voor vergoeding rechtsbijstand
De zaak betreft een hoger beroep van een rechtsbijstandverlener tegen de beslissing van de raad voor rechtsbijstand om de vergoeding voor vier toevoegingen te verlagen op grond van samenhang tussen de procedures. De toevoegingen hadden betrekking op verweer in hoger beroep tegen straat- en contactverboden die voortvloeiden uit een beëindigd huwelijk.
De rechtbank had geoordeeld dat de procedures samenhangend waren omdat zij gelijktijdig op een comparitiezitting werden behandeld en inhoudelijk verknocht waren, ondanks dat de procedures afzonderlijk waren gevoerd en verschillende processtukken bevatten. De raad had de vergoeding na steekproefscontrole verlaagd op basis van artikel 11 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.
In hoger beroep betoogde de appellant dat de procedures separaat waren en alleen pragmatisch op dezelfde zitting werden behandeld. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat samenhang niet vereist dat zaken identiek zijn, maar dat zij naar hun aard verknocht moeten zijn en betrekking moeten hebben op dezelfde problematiek. De gelijktijdige behandeling en inhoudelijke samenhang rechtvaardigen de samenhangsbeoordeling.
De Afdeling verwierp het beroep en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de vergoeding op basis van samenhang terecht was vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de lagere uitspraak bevestigd dat de vier toevoegingen terecht als samenhangend zijn aangemerkt voor de vergoeding.