ECLI:NL:RVS:2020:2463
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning uitbreiding varkenshouderij ondanks geurhinder en milieueffecten
Het college van burgemeester en wethouders van Landerd verleende op 6 juli 2017 een omgevingsvergunning voor het veranderen en uitbreiden van een bestaande varkenshouderij, inclusief het bouwen van een varkensstal in strijd met het bestemmingsplan. Appellanten uit de nabije omgeving maakten bezwaar vanwege mogelijke geuroverlast en milieueffecten.
De rechtbank vernietigde het oorspronkelijke besluit wegens onvolledige milieueffectrapportage en oordeelde dat het college een nieuw besluit moest nemen met een nieuw m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het college verleende vervolgens op 24 juli 2018 een nieuwe vergunning met aangepaste motivering en geurberekeningen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze nieuwe vergunning ongegrond.
In hoger beroep betoogden appellanten onder meer dat het aantal mestvarkens en opfokzeugen samengeteld moesten worden voor de MER-plicht, dat de geurbelasting te hoog zou zijn, dat het college onterecht uitging van een geurreductie van 45% en dat voorschriften omtrent monitoring ontbraken. De Afdeling oordeelde dat het college terecht het aantal diercategorieën apart beoordeelde, dat de geurbelasting binnen de geldende normen bleef, dat de geurreductiefactoren conform de wettelijke regeling waren toegepast en dat nieuwe beroepsgronden na de tussenuitspraak niet ontvankelijk waren. Ook werd geoordeeld dat het college de ammoniakemissie correct had beoordeeld en dat bouwen in afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning wordt bevestigd.