ECLI:NL:RVS:2020:2321
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen plaatsing CV-ketel op balkon
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees het verzoek van appellante af om handhavend op te treden tegen de plaatsing van een nieuwe CV-ketel met rookgasuitvoer op het balkon van een appartement. Appellante, die astma heeft en nabij woont, stelde dat rookgas haar appartement binnendrong en dat de afvoerpijp te dicht bij haar woning lag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de plaatsing van de CV-ketel en afvoerpijp in overeenstemming was met artikel 3.51 van het Bouwbesluit 2012 en dat er geen grond was voor handhaving op grond van artikel 7.22. Appellante stelde dat artikel 3.51 niet van toepassing was en dat handhaving wel noodzakelijk was vanwege ernstige gezondheidshinder.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank. Zij oordeelde dat artikel 3.51 wel van toepassing is, ook voor afvoerpijpen die in een patio uitmonden, en dat alleen het derde lid van artikel 3.51 strekt tot bescherming van omwonenden zoals appellante. De Afdeling vond dat de afvoerpijp op voldoende afstand van de perceelsgrens (de balkonrand) was geplaatst.
Verder stelde de Afdeling vast dat er geen sprake was van een dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder, mede vanwege de werkelijke capaciteit van de CV-ketel en de ligging van de afvoerpijp. De Afdeling zag geen aanleiding om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak in te schakelen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.