ECLI:NL:RVS:2019:679
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake geslachtsnaamswijziging minderjarige dochter
De minister heeft op 7 juli 2017 de geslachtsnaam van de minderjarige dochter van appellant gewijzigd van diens naam naar die van belanghebbende, op grond van ernstige psychische hinder voor het kind. Appellant, de vader, maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, maar zowel de minister als de rechtbank verklaarden zijn bezwaren ongegrond.
In hoger beroep betoogt appellant dat de minister ten onrechte de belangenafweging heeft gemaakt, onvoldoende rekening houdend met de Surinaamse identiteit van het kind en de mogelijke gevolgen voor haar toekomst en identiteit. Ook stelt hij dat hij niet is gehoord, wat een schending van de hoorplicht zou zijn.
De Afdeling oordeelt dat de minister terecht psychische hinder heeft vastgesteld en dat de belangenafweging binnen de discretionaire bevoegdheid is gemaakt. Het besluit is niet in strijd met het EVRM of het IVRK. Wel is geoordeeld dat appellant ten onrechte niet is gehoord, maar dat dit gebrek niet tot vernietiging van het besluit leidt omdat appellant alsnog zijn belangen heeft kunnen inbrengen tijdens de zitting.
De Afdeling vernietigt daarom alleen het deel van de uitspraak waarin de rechtbank niet heeft gelast tot terugbetaling van het griffierecht aan appellant en bevestigt het overige oordeel. De minister wordt gelast het griffierecht van €421 terug te betalen.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de rechtbankuitspraak vernietigd voor zover het griffierecht niet werd terugbetaald; minister moet griffierecht aan appellant vergoeden.