ECLI:NL:RVS:2017:2660
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering kinderopvangtoeslag wegens urenarbeid
Appellante maakte in 2014 gebruik van kinderopvang waarvoor zij voorschotten kinderopvangtoeslag ontving. De Belastingdienst stelde de toeslag definitief vast op een lager bedrag dan appellante betwistte, omdat zij meende meer uren te hebben gewerkt dan door het UWV was gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en passeerde een schending van de hoorplicht omdat appellante niet in haar belangen was geschaad.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte het gebrek had gepasseerd en dat zij niet adequaat op het laat ingediende verweerschrift had kunnen reageren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had gekregen om haar standpunt toe te lichten en dat het niet aannemelijk was dat een ander besluit zou zijn genomen zonder de schending.
Wel oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding had uitgesproken, gelet op de schending van de hoorplicht. Daarom vernietigde de Afdeling dit deel van het vonnis en veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het overige oordeel van de rechtbank bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor het toewijzen van proceskosten en griffierecht, het overige oordeel van de rechtbank wordt bevestigd.