ECLI:NL:RVS:2019:3642
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing intrekking omgevingsvergunning voor woningbouw na langdurige procedure
Het college van burgemeester en wethouders van Coevorden verleende op 9 juli 2014 een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning met garage te Wezup, welke onherroepelijk werd verklaard in 2016. Appellant, wonende nabij de bouwlocatie, verzocht in 2017 om intrekking van deze vergunning omdat er nog geen gebruik van was gemaakt en hij vermoedde speculatie op waardestijging van agrarische grond. Het college wees dit verzoek in juli 2018 af, waarop appellant beroep instelde bij de rechtbank. Deze verklaarde het beroep ongegrond in februari 2019.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte geen gebruik maakte van haar bevoegdheid tot intrekking op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, Wabo, omdat geen bouwwerkzaamheden waren gestart binnen 26 weken. Het college voerde aan dat er geen beleid was voor intrekking van slapende vergunningen en dat de langdurige procedure en persoonlijke omstandigheden van vergunninghouder een rol speelden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college beleidsruimte heeft en in redelijkheid tot haar besluit kon komen, mede omdat geen zwaarwegend belang tot intrekking bestond en de bouw nog steeds gepland was.
De Afdeling verwierp het betoog van appellant dat onduidelijkheid bestond over de termijn waarna intrekking zou volgen en bevestigde dat het college de vergunninghouder gelegenheid mag geven eerst haar huidige woning te verkopen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning bevestigd.