ECLI:NL:RVS:2020:2310
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing intrekking vergunning biomassavergistingsinstallatie Marrum
Het college van gedeputeerde staten van Fryslân heeft verzoeken tot intrekking van vergunningen voor het oprichten van een biomassavergistingsinstallatie aan de Botniaweg 6 te Marrum afgewezen. Deze vergunningen waren verleend in 2008 en 2011. Verzoekers, waaronder Stichting Duurzaam Marrum en omwonenden, stelden dat de vergunningen ingetrokken moesten worden omdat er gedurende meer dan drie jaar geen gebruik van was gemaakt en dat de omstandigheden en regelgeving sinds de verlening waren gewijzigd.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van de stichting en anderen ongegrond. In hoger beroep stelde de stichting dat het college op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo de vergunningen had moeten intrekken. De Raad van State overwoog dat het intrekken van een vergunning op grond van deze bepaling een bevoegdheid is en geen verplichting, waarbij het college beleidsruimte heeft en belangen zorgvuldig moet afwegen.
Het college had gemotiveerd dat het intrekken van de vergunningen de rechtszekerheid van de vergunninghouder zou aantasten en dat er nog plannen waren om de vergunningen te gebruiken. Ook was volgens het college voldaan aan de milieuregels en waren de bezwaren van de stichting onvoldoende onderbouwd. De Raad van State vond dat het college in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De overige betogen van de stichting werden buiten beschouwing gelaten omdat deze niet bij de rechtbank waren aangevoerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het verzoek tot intrekking van de vergunningen voor de biomassavergistingsinstallatie.