ECLI:NL:RBDHA:2020:5685
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.M.M. Kettenis – de Bruin
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor dakopbouw ondanks afwijking bestemmingsplan
De zaak betreft een beroep tegen een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw die in strijd is met het bestemmingsplan "Binnenstad 2012". Verweerder verleende de vergunning met toepassing van artikel 2.12 Wabo juncto artikel 4 Bor Pro, waarbij een belangenafweging werd gemaakt. Eiser, mede-eigenaar van een aangrenzende woning, stelde dat sprake was van een privaatrechtelijke belemmering en dat de voorwaarden omtrent de dakramen onvoldoende duidelijk waren. Ook voerde hij aan dat het bouwplan niet voldeed aan het Bouwbesluit en dat de welstandsadviezen niet overtuigend waren.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een evidente privaatrechtelijke belemmering, mede omdat de vergunning voorwaarden bevatte dat de dakramen vaststaand en ondoorzichtig moesten zijn, conform artikel 5:51 BW Pro. De voorwaarden waren voldoende duidelijk en afdwingbaar, zodat het rechtszekerheidsbeginsel niet werd geschonden. De overschrijding van de maximale goothoogte was gering en de nadelige gevolgen voor bezonning werden als aanvaardbaar beoordeeld. Daarnaast was aannemelijk gemaakt dat het bouwplan aan de constructieve eisen van het Bouwbesluit 2012 voldeed, ondanks de kritiek van eiser.
Ten slotte waren de welstandsadviezen zorgvuldig en in overeenstemming met het huidige beleid, waarbij de dakopbouw paste binnen de stedenbouwkundige samenhang en het beschermde stadsgezicht niet aantastte. Gezien deze overwegingen mocht verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning verlenen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de dakopbouw wordt ongegrond verklaard.